Naar de inhoud
In dit artikel
  1. De drie vormen naast elkaar
  2. De aanpak van het Bureau
  3. Hoe worden deze middelen beoordeeld
  4. Drie dingen die je moet weten voordat je koopt
  5. Wat je moet weten over de bijwerkingen
  6. Waarom je niet op merk moet kiezen
  7. Waarom het hele jaar door behandelen
  8. Veelgestelde vragen

Ons advies

Een vlooienband beschermt volgens het Bureau Diergeneesmiddelen zo'n 7 tot 8 maanden en een pipet 4 tot 12 weken. Maar de keuze hangt vooral af van je dier: volgens het Bureau zijn bandjes niet geschikt voor honden die veel zwemmen of eraan kunnen kauwen. Kies nooit zelf op basis van de verpakking en overleg met je dierenarts.

Een vlooienband beschermt volgens het Bureau Diergeneesmiddelen zo’n 7 tot 8 maanden en een pipet 4 tot 12 weken. Maar de keuze hangt vooral af van je dier: bandjes zijn volgens dat Bureau niet geschikt voor honden die veel zwemmen of eraan kunnen kauwen.

Wij geven in dit artikel bewust geen merkadvies. Kies niet op basis van de verpakking, maar op basis van wat je dier doet, en overleg het met je dierenarts.

De drie vormen naast elkaar

Het Bureau Diergeneesmiddelen van het agentschap CBG zet de drie vormen met hun kenmerken op een rij, en die tabel is het hele verhaal in één:

Vlooienbandje Tablet (pil) Druppel (pipet)
Gebruik Bandje om de hals Inslikken via de bek Op de huid, meestal in de nek
Werking Geeft langzaam een werkzame stof af die werkt op het zenuwstelsel van vlooien Werkt van binnenuit; vlooien en teken gaan dood bij het bloed zuigen De stof verspreidt zich via het huidvet over het hele lichaam en werkt op het zenuwstelsel
Duur van bescherming ongeveer 7 tot 8 maanden ongeveer 4 tot 12 weken ongeveer 4 tot 12 weken
Belangrijke aandachtspunt Niet geschikt voor honden die veel zwemmen, of die aan het bandje kunnen kauwen Geschikt voor dieren die veel zwemmen Het dier kort na gebruik niet aanraken

Wat daarin opvalt is dat een bandje en een druppel op hetzelfde principe werken: beide brengen een stof in het huidvet van het dier die via het zenuwstelsel van de vlo werkt. Het verschil zit in de vorm waarin de stof erin komt en in de snelheid. Een tablet werkt echt anders: die komt via het bloed.

De aanpak van het Bureau

Het Bureau legt ook uit hoe die werking werkt. Volgens het Bureau zitten er insecticiden in vlooienmiddelen, stoffen die gemaakt zijn om vlooien en teken te doden. Ze werken op het zenuwstelsel van vlooien en teken. En dat zenuwstelsel is volgens het Bureau veel minder gevoelig dan dat van zoogdieren zoals honden, katten en mensen.

Zo zit de selectie in het middel: het doelwit is een zenuwstelsel dat gevoeliger reageert dan dat van een zoogdier. Wat dat voor bijwerkingen betekent, staat verderop.

Hoe worden deze middelen beoordeeld

Voordat een vlooienmiddel op de markt mag komen, moet het een handelsvergunning krijgen. Volgens het Bureau Diergeneesmiddelen gebeurt dat volgens Europese regels, Verordening EU 2019/6. Het Bureau beoordeelt of het middel voldoet aan de eisen voor werking, veiligheid en kwaliteit, en volgens het Bureau worden alleen middelen waarvan de voordelen groter zijn dan de risico’s toegelaten.

De vergunning zelf wordt volgens het Bureau verleend door de minister van LVVN, op advies van de onafhankelijke Commissie toelating diergeneesmiddelen. En dat is niet het einde van het verhaal: volgens het Bureau blijft het Bureau de veiligheid volgen ook na de toelating, en als er problemen zijn kan de bijsluiter worden aangepast of kan de vergunning tijdelijk worden stopgezet. Het advies over bijvoorbeeld het aanraken van je dier verschilt dus per middel en kan veranderen.

Drie dingen die je moet weten voordat je koopt

Het Bureau noemt zelf drie punten die je vooraf moet weten.

Eén: het middel moet bij de diersoort horen. Er zijn veel verschillende tabletten, druppels en bandjes, en het Bureau wijst erop dat er verschillende soorten zijn voor verschillende dieren. Als voorbeeld noemt het Bureau dat je vlooienmiddelen voor honden niet zomaar aan een kat, konijn of cavia mag geven. De keuze per middel en per diersoort is dus niet uitwisselbaar.

Twee: middelen niet door elkaar gebruiken. Als je overstapt van een tablet op een druppel, wil je niet beide tegelijk gebruiken. Dat is een andere vraag dan de volgende, namelijk of je het dier na een druppel mag aanraken. Daarover zegt het Bureau dat het advies per diergeneesmiddel verschilt en dat het is vastgesteld op basis van gegevens uit de verplichte veiligheidstesten. Dat advies staat in de bijsluiter.

Drie: niet bij jonge of zieke dieren. Dat is een aparte waarschuwing van het Bureau.

Wat je moet weten over de bijwerkingen

Volgens het Bureau zijn huidirritatie en jeuk de meest voorkomende bijwerkingen van vlooienmiddelen. In zeldzame gevallen kunnen dieren last krijgen van maagdarmklachten of van ernstigere klachten, zoals problemen met het zenuwstelsel of vergiftiging.

Het Bureau zegt daarnaast expliciet dat de kans op overlijden géén bekende bijwerking van vlooienmiddelen is. Als dieren toch overlijden, kan er volgens het Bureau sprake zijn van een andere oorzaak, bijvoorbeeld onderliggend lijden en/of ouderdom. Dat is een belangrijke nuance: als je dier ziek is en daarna overlijdt, is dat niet zomaar aan het vlooienmiddel toe te schrijven.

Wat je moet doen bij een bijwerking staat in de bijsluiter. Het Bureau schrijft dat vermoedelijke bijwerkingen ook altijd gemeld kunnen worden bij het Bureau Diergeneesmiddelen.

Waarom je niet op merk moet kiezen

Er is een praktische reden om dit artikel zonder merken te schrijven. De werkzame stoffen en de formulering verschillen per middel, en de bijsluiter is het document dat bindend is voor wat je met dat specifieke middel mag doen.

De bijsluiter is volgens het Bureau online te vinden via diergeneesmiddeleninformatiebank.nl. Daar kun je zoeken op registratienummer, productnaam, werkzame stof of handelsvergunninghouder. Dat is de plek om te controleren of een middel voor jouw diersoort is toegelaten en wat de bijwerkingen zijn.

Wat wij je wel kunnen geven is de structuur. Wil je een bandje, dan moet je weten dat je hond niet veel zwemt en niet aan het bandje kauwt. Kan dat niet, dan is een tablet volgens het Bureau geschikt voor dieren die veel zwemmen. Wil je geen tablet geven omdat je moeilijk weet of je dier hem doorslikt, dan is een druppel in de nek een optie, met de aantekening dat je het dier daarna even niet mag aanraken.

Waarom het hele jaar door behandelen

Eén praktisch punt dat geen van beide middelen oplost. Het LICG schrijft dat de levenscyclus van een vlo onder ideale omstandigheden ongeveer 2 tot 3 weken duurt, en dat onze huizen met centrale verwarming en vloerbedekking zo’n ideale omgeving vormen. Daarom kunnen vlooien volgens het LICG het hele jaar door een plaag vormen en is het volgens hen belangrijk om het gehele jaar door te behandelen.

Het LICG zegt er nog iets bij dat vaak wordt onderschat: meer dan 90 procent van de vlooienpopulatie bestaat uit eieren, larven en poppen, en slechts 1 tot 10 procent uit volwassen vlooien. De vlooien die je op je dier ziet, zijn volgens het LICG slechts een topje van de ijsberg. Middelen die alleen het dier behandelen, raken volgens het LICG dus maar een deel van de populatie aan.

Wil je weten hoe vaak je moet behandelen in jouw situatie, dan staat dat bij het LICG per situatie beschreven: bij een dier dat niet of nauwelijks buitenkomt en niet allergisch is, volstaat volgens hen kammen met een vlooienkam. Komt je dier wel buiten of in contact met andere dieren, dan adviseert het LICG preventief behandelen.

Wat het LICG niet doet, is een middel aanbevelen. Het schrijft dat vlooienbestrijdingsmiddelen giftige stoffen zijn en dat je daarom moet overleggen met je dierenarts of met een medewerker in je dierenspeciaalzaak die daarvoor is opgeleid. Dat advies nemen we hier over.

Voor andere onderdelen van het leven met je hond staat meer bij hoe je een hondenbench voor je hond kiest en bij welke hondenriem je nodig hebt.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil in werking?
Volgens het Bureau Diergeneesmiddelen geeft een bandje langzaam een werkzame stof af die werkt op het zenuwstelsel van vlooien, en die stof verspreidt zich via het huidvet over het hele lichaam. Een pil werkt van binnenuit: vlooien en teken gaan dood bij het bloed zuigen. Bij een pipet zit de werkzame stof in een druppel die je op de huid aanbrengt, meestal in de nek, en die werkt ook op het zenuwstelsel.
Hoe lang beschermt elk middel?
Volgens het Bureau Diergeneesmiddelen beschermt een vlooienbandje ongeveer 7 tot 8 maanden, en een tablet en een druppel ieder ongeveer 4 tot 12 weken. Dat verschil is groot, en het betekent dat je bij een druppel vaker moet aanbrengen. Het precieze interval verschilt per middel en staat in de bijsluiter.
Kan ik hetzelfde middel bij mijn kat en mijn hond gebruiken?
Nee. Het Bureau Diergeneesmiddelen schrijft dat het verschilt per middel voor welk dier het geschikt is, en dat er verschillende soorten zijn voor verschillende dieren. Zo mag je vlooienmiddelen voor honden niet zomaar aan een kat, konijn of cavia geven. Het Bureau raadt ook aan de middelen nooit door elkaar te gebruiken en niet bij jonge of zieke dieren.
Wat zijn de bijwerkingen die ik moet kennen?
Volgens het Bureau Diergeneesmiddelen zijn huidirritatie en jeuk de meest voorkomende bijwerkingen. In zeldzame gevallen kunnen dieren last krijgen van maagdarmklachten of ernstigere klachten, zoals problemen met het zenuwstelsel of vergiftiging. Het Bureau zegt dat de kans op overlijden geen bekende bijwerking van vlooienmiddelen is.
Mag ik mijn hond of kat aanraken of laten zwemmen na een pipet?
Het Bureau Diergeneesmiddelen zegt dat het advies per diergeneesmiddel verschilt en dat het is vastgesteld op basis van de verplichte veiligheidstesten. Bij druppels wijst het Bureau erop dat het belangrijk is het dier kort na gebruik niet aan te raken. Het precieze advies staat in de bijsluiter van dat middel, dus zoek dat op.

Meer in Huisdieren